Krijtlijnen voor een lokaal klimaatbeleid - Studiedag #klimaatkoers

3 februari 2018
 

Toespraak studiedag klimaatkoers, 3 februari 2018

 

Krijtlijnen voor een lokaal klimaatbeleid

 

Beste mensen,

 

Ook op mijn beurt van harte welkom.

De laatste jaren hebben één ding gemeen. Telkens opnieuw sneuvelen de hitterecords. Nog nooit was het zo warm. Onze planeet warmt op aan een recordtempo.

De eerste gevolgen zijn overal ter wereld al te zien: meer en heviger stormen, meer en heviger droogtes, extreme weersomstandigheden die het leven bemoeilijken. Er gaat bijna geen week voorbij of we zien en horen op het nieuws tornado’s, felle bosbranden, extreme droogtes (deze zomer nog bij ons) of overstromingen. Kijk maar naar Parijs vorige week… De klimaatverandering is niet iets in de verre toekomst, maar begint nu al heel reëel te worden.

En deze klimaatverandering heeft niet alleen een hoge ecologische kost, maar ook een hoge economische kost. De grootste uitdaging die de mensheid ooit in de ogen heeft gekeken. Maar er is hoop…

 

Concreet beleid wordt gevoerd: woningen worden versneld energiezuinig gemaakt, energienormen voor nieuwbouw verstrengen, de autofiscaliteit vergroent en bedrijven worden gestimuleerd energie-efficiënt te werken.

 

Maar meer is nodig. Ik was erbij, in Parijs, toen 2 jaar geleden het historische wereldwijde klimaatakkoord werd afgesloten. De opwarming van de aarde beperken tot anderhalve graad. Dat is de bijzonder ambitieuze doelstelling.

Dat vergt ook een ambitieus beleid. Bijvoorbeeld inzake energie moeten we resoluut durven kiezen voor hernieuwbare energie en nog meer dan vandaag inzetten op energiebesparing, bij bedrijven en gezinnen.

Daarbij willen wij ook zorgen dat de mensen die het nu al moeilijk hebben om hun energierekening te betalen concrete hulp krijgen. Elke woning moet energiezuinig gemaakt worden, zeker van die mensen die het meest kwetsbaar zijn in onze samenleving.

 

Het energiepact is het volgende belangrijke dossier op de tafel van de federale en Vlaamse regering. Na de paars-groene kernuitstap en de rode overgesubsidieerde zonnepanelen, moet deze regering, deze regeringen, een stabiel en duidelijk investeringskader creëren om ervoor te zorgen dat ook in de toekomst de lamp blijft branden. Een nieuw uitstel van de kernuitstap met als excuus dat de alternatieven er niet zijn, kan voor ons niet. Daarom moeten nu beslissingen genomen worden en moet tot actie over gegaan worden. Nu niks beslissen en alles na de verkiezingen van 2019 bekijken, zoals de burgemeester van Antwerpen een tijdje terug voorstelde, zal zeker de duurste optie zijn.

 

Maar klimaat- en energiebeleid gaat niet alleen over grote centrales. Het gaat ook over projecten bij u en bij mij, in ons dorp of onze stad.

 

Dit is dus ook en zelfs bij uitstek een lokaal verhaal. Van onderuit, vanuit onze gemeente of stad kunnen we de energietransitie beginnen Mensen betrekken, mensen verbinden, bijvoorbeeld met groepsaankopen of door op wijkniveau efficiënt onze eigen groene energie te produceren of isolatieprojecten op te zetten. Het zijn projecten waar we samen de komende jaren werk moeten van maken. Thema’s voor de gemeenteraadsverkiezingen ook.

 

 

Want, beste mensen, de redding van ons klimaat, de verschuiving naar meer hernieuwbare energie. Dat zijn bij uitstek christendemocratische doelstellingen en thema’s. Dat is rentmeesterschap, de zorg over de planeet, ook voor de toekomstige generaties.

Daarom hebben we hier in dit parlement ook hard aan de kar getrokken bij de opmaak van de Vlaamse klimaatresolutie, nu iets meer dan een jaar geleden.

 

Een doorgedreven, verstandig en ambitieus klimaatbeleid biedt heel wat opportuniteiten voor de Vlaamse economie en de tewerkstelling in Vlaanderen.

Voor onze partij moet het klimaatbeleid ook sociaal zijn. Het is belangrijk dat iedereen mee is met deze transitie. En daar hebben onze lokale overheden een belangrijke rol te spelen. En dat op diverse fronten en in diverse sectoren.

Ik begin bij onze slechtste leerling.

 

De sector mobiliteit heeft met 36% het grootste aandeel in de Vlaamse uitstoot van broeikasgassen. En ondanks de globale daling in de uitstoot van Vlaanderen in de voorbije jaren, is de uitstoot in deze sector zelfs nog toegenomen. Hier moet dus ingegrepen worden. Onze mobiliteit, ons mobiliteitsgedrag, moet veranderen.

Als lokale overheid kan je die gedragsverandering helpen bewerkstellingen door een beleid te voeren dat de fiets, het openbaar vervoer, autodelen en andere vormen van collectief transport ondersteunt waardoor het snelle, efficiënte en aantrekkelijke alternatieven worden voor de privéwagen.

Cruciaal daarbij is dat je als lokale overheid niet langer de auto maar wel de fiets als de koning van de weg ziet.

Dit vraagt eerst en vooral investeringen in en het realiseren van veilige fietsinfrastructuur. Voor een gemeente is het niet mogelijk om al die investeringen in één keer te doen. Maar het doel is duidelijk.

 Een totaalaanpak is nodig; veilige fietspaden, maar ook over goed ingerichte verkeersknooppunten of voldoende fietsenstallingen en zelfs fietsherstelpunten.

Net zoals met de fiets zouden ook alle belangrijke plaatsen bereikbaar moeten zijn met het openbaar vervoer. Dat is toch het doel van de basisbereikbaarheid waar deze Vlaamse Regering voor gekozen heeft. Positief in dat verhaal is dat gemeenten via de ingevoerde vervoersregio’s, meer inspraak zouden krijgen over de organisatie van het openbaar voervoer op hun grondgebied.

Toch zijn de eerste signalen over voorstellen vanuit de vervoersregio’s niet echt positief te noemen. We moeten er dan ook op letten dat de werking met de vervoersregio’s geen verkapte besparingsoefening is, maar ook echt aanleiding geeft tot een verbetering van het openbaar vervoer en zorgt voor een modal shift van de wagen naar het openbaar vervoer.

Autodelen kan een gemeentebestuur dan weer ondersteunen door op het parkeerterrein in het centrum van de gemeente enkele plaatsen exclusief te voorzien voor deelwagens. Maar als gemeentebestuur kan je ook je eigen vloot inzetten om autodelen mogelijk te maken. In mijn eigen Kruisem werken we volop aan zo’n plan.

 

Het voorzien van de nodige laadpalen zal inwoners dan weer een zetje geven om te kiezen voor een elektrische wagen. Daarbij hoef je als gemeente die laadpalen niet op eender welke locatie op het openbaar domein te plaatsen. Ga in overleg met de netbeheerders, maar ook met eigenaars van parkeerterreinen, zodat zij laadpalen plaatsen en deze permanent bereikbaar maken voor inwoners van de gemeente. En voorzie als werkgever ook een aantal laadpalen voor het gemeentepersoneel.

 

Met het oude woningpatrimonium in Vlaanderen kunnen in de sector van de woningen en de gebouwen ook nog grote stappen vooruit worden gezet. Al die oudere woningen isoleren of eventueel zelfs afbreken en vervangen door een nieuwe woning die aan de huidige normeringen voldoet, zal aanleiding geven tot een sterke vermindering van het energieverbruik en van de uitstoot aan CO2. Dubbele winst dus voor het klimaat en voor het halen van de Europese klimaatdoelstellingen.

 

We moeten als gemeente toch niet al die woningen gaan renoveren, hoor ik sommige hier al denken. Dat is zeker niet de idee dat wij hebben of hier willen voorstellen. Maar als overheid die het dichtste bij de mensen staat, zien we wel een belangrijke rol weggelegd voor de steden en gemeenten als het bijvoorbeeld gaat over het informeren van gezinnen met betrekking tot hun bouw- of verbouwplannen. Zo zou er in elke stad of gemeente een uniek aanspreekpunt moeten zijn waar inwoners terecht kunnen met al hun vragen met betrekking tot wonen. Een gemeentelijk woonloket kan bijvoorbeeld objectieve informatie geven over renovatie of bouwplannen en het gebruik van nieuwe technieken zoals warmtepompen. Maar ook andere zaken, zoals een efficiënt leegstandsbeleid of zelfs het aanbieden van slooppremies in bepaalde wijken, kunnen het verschil maken.

 

Onze land- en tuinbouwsector is een voorbeeld als het over klimaatbeleid gaat. Want sinds 1990 hebben zij al een uitstootreductie met 27% gerealiseerd. Maar deze mooie inspanning stelt de land- en tuinbouwsector in de toekomst absoluut niet vrij van bijkomende stappen. Op wereldschaal behoort de Vlaamse land- en tuinbouwsector bij de meest klimaatefficiënte. In Vlaanderen geproduceerd voedsel is een stuk klimaatvriendelijker dan geïmporteerd vlees, groenten of fruit. Meer lokaal geproduceerde voedingswaren consumeren is belangrijk. Dit is niet alleen financieel voordelig voor de land- en tuinbouwer en de consument. Het is vooral ook positief voor het klimaat. Ook hier kan een lokaal bestuur het verschil maken. Het mee organiseren van de korte keten, met het samenbrengen van producenten en consumenten, boerenmarkten zijn een bekend voorbeeld, is een rol die we als lokale besturen zeker kunnen en moeten opnemen.

 

Ook de industrie in Vlaanderen is wereldtop, maar zal de nodige inspanningen moeten blijven leveren. Voor grote bedrijven met een hoog energieverbruik zijn de Vlaamse energiebeleidsovereenkomsten het instrument om hen aan te sporen tot energiezuinigheid.

Maar ook de niet energie-intensieve bedrijven moeten verder aangezet worden tot het verbeteren van hun energie-efficiëntie. Er zijn lokale overheden die deze bedrijven daar toe stimuleren door de kosten voor een energiestudie terug te betalen als voorgestelde maatregelen op basis van deze studie in de praktijk worden gebracht. Zo kunnen we ook KMO’s voluit betrekken in dit verhaal.

 

Een belangrijke sector wanneer het over klimaat en klimaatbeleid gaat, is die van de energie.

Met betrekking tot hernieuwbare energie en energie-efficiëntie kunnen steden en gemeenten het goede voorbeeld geven aan hun inwoners. Bijvoorbeeld door zonnepanelen te plaatsen op de daken van het gemeentelijk patrimonium, het enkel glas van de gemeenteschool te vervangen door hoogrendementsglas, een wat oudere polyvalente zaal te isoleren of de afgeschreven gasketel van het gemeentehuis te vervangen door een warmtepomp. Een stad- of gemeentebestuur kan ook helpen om lokaal draagvlak te creëren voor de productie van hernieuwbare energie door informatievergaderingen te organiseren. Financiële participatie helpt buurtbewoners soms ook om een project in de directe omgeving te aanvaarden. Een gemeente kan ook dit stimuleren.

 

De impact van ruimtelijke ordening op het klimaat mag absoluut niet onderschat worden. Het ruimtelijk ordeningsbeleid zou afgestemd moeten worden op mobiliteitsassen en knooppunten waarbij die knooppunten, zoals reeds toegelicht, ontsloten zouden moeten worden via veilige fietsverbindingen en een goed openbaar vervoer. Lokale overheden moeten bijvoorbeeld ook kunnen beslissen om woon(reserve)gebieden die niet of heel moeilijk ontsloten kunnen worden op te geven en een andere bestemming geven. Dit natuurlijk met de nodige compensaties voor de eigenaars van die gebieden.

Dit sluit helemaal aan bij de doelstelling van het BRV om het bijkomend ruimtebeslag, dat we van 6 ha per dag willen terug brengen naar 0 ha. Dit vraagt ook het herbestemmen van bestaande gebouwen en terreinen, zuinig ruimtegebruik, verdichting, kernversterking en inbreiding. Over al die zaken kunnen en moeten de gemeentebesturen een toekomstvisie ontwikkelen.

 

De Vlaamse klimaatresolutie, het Vlaamse klimaatbeleidsplan, biedt heel wat aanknopingspunten voor een sterk lokaal klimaat- en energiebeleid. Veel lokale besturen hebben zich al geëngageerd. Er zijn de burgemeestersconvenanten en andere klimaat- en energiebeleidsplannen.

CD&V wil hierin het voortouw nemen. In de lokale verkiezingsprogramma’s wordt wat ons betreft het klimaatbeleid een oranje draad. Van onderuit kunnen we het verschil maken.

 

CD&V is een partij van doeners. Vandaag gaan we met elkaar in gesprek en bieden wij u graag inspirerende voorbeelden aan om ook bij u lokaal mee aan de slag te gaan. Achteraf wordt u ook een verslag/memorandum bezorgd van de gesprekken van vandaag. Dit kan dan meteen een nuttige insteek vormen voor de zowat 300 lokale verkiezingsprogramma’s die in opmaak zijn. Heb daar nog even geduld voor aub.

 

 

Er zijn vandaag 5 werkgroepen, telkens met eminente sprekers en eloquente voorzitters en notulisten.

We werken in 2 sessies. Van 10u00 tot 11u00 en van 11u10 tot 12u10.

Op uw gepersonaliseerde voorblad van uw mapje staan de twee sessies welke u zal volgen. Wij willen u vragen deze ook echt te volgen en niet te wisselen met andere werkgroepen. Binnen de zalen waar u de werkgroep zal volgen willen wij iedereen een stoel aanbieden en vele werkgroepen zijn in goede bezetting.

 

Werkgroep 1 – elke gemeente een eigen klimaatplan – verloopt onder leiding van Federaal volksvertegenwoordiger Leen Dierick en is te volgen in commissiezaal met naam “Rubens”. Deze is te vinden op de tweede verdieping.

Werkgroep 2 – hoe energie besparen in je gemeente – heeft mijn eigen deskundigheid als voorzitter en gaat door in zaal “Van Eyck” op de derde verdieping.

Werkgroep 3 – elektrische mobiliteit – heeft als voorzitter Volksvertegenwoordiger Dirk de Kort en speelt zich af in zaal “memling” op de tweede verdieping.

Werkgroep 4 – hoe inwoners betrekken bij hernieuwbare energie – heeft niemand minder dan Europees volksvertegenwoordiger Ivo Belet als voorzitter en gaat door in zaal “Van Dyck” op de tweede verdieping.

Werkgroep 5 – als gemeenten buren helpen renoveren – kan zich niemand beter voorstellen dan volksvertegenwoordiger An Christiaens en dit gaat door in zaal “Ensor” op de tweede verdieping.

 

Ik wens u een interessante dag en we zien elkaar hier straks terug om 12u15 voor de boodschap van collega Leen Dierick en onze Vlaamse minister van klimaat, Joke Schauvliege.

 

Ik dank u!

 

Robrecht Bothuyne

dd. 3 februari 2018

 

 

 

Categorie: 

Robrecht on Twitter